Enkele gedachten bij een gedicht

In december

Dag schone dienstmaagd van de Heer.
Keer op keer
hoor ik weer alsof ik het nooit eerder heb gehoord:
‘Mij geschiede naar uw Woord.’

En dan maar wachten al die lange dagen
tot Hij komt, en dromen dragen door de duistere tijd
totdat ze eindelijk zijn uitgerijpt:
van machtigen die vallen van hun tronen
en armen en verdrukten die in vreugde mogen wonen.

Of is het wachten soms op mij,
totdat ik uitgedroomd ben en ontwaak?
Ach Heer, omring mij met uw engelenscharen
en wil in mij het Licht dan baren.
                                                        - Hein Stufkens

Dit prachtige gedicht van Hein Stufkens is als een drieluik zoals je dit in oude kathedralen kunt vinden. Met goedgekozen woorden en zorgvuldig eindrijm schildert de auteur het mysterie van de Menswording van Jezus. Het gedicht vraagt door zijn vorm om tenminste enkele keren te worden gelezen, het liefst hardop en met de Bijbel ernaast. Gaandeweg dring je dan door in de diepe rijkdom van deze tekst.

I.    De Aankondiging

Het eerste luik neemt ons mee naar het Lucasevangelie. De jonge Myriam – wij kennen haar als Maria – wordt in haar huis in Nazareth bezocht door een engel van de HEER (Lc. 1,26-38). Het bezoek overweldigt haar en nog meer wordt ze geraakt door de boodschap die de engel haar komt brengen. Ze verzet zich aanvankelijk tegen Gods plannen en gaat met woorden een gevecht aan met de engel. Uiteindelijk geeft ze zich gewonnen en geeft haar fiat: ‘Zie de dienstmaagd van de HEER, mij geschiede naar Uw Woord’.

In deze eerste strofe van het gedicht richt de auteur zich eigenlijk tot Maria, de ‘dienstmaagd van HEER’ en hij verbaast zich er min of meer over dat hij die woorden van Maria telkens weer hoort alsof ze helemaal nieuw zijn. Zo’n ontwapenend antwoord op een overrompelende vraag, die notabene ook nog eens van een engel komt, blijft als het ware een verbazingwekkend geheim.

II.   Het bezoek

Het tweede luik neemt ons mee op reis naar het bergland van Judea, naar een stadje met de naam Ein Karem. Het is de woonplaats van Zacharias en Elisabeth (Lc. 39-56). Terwijl Maria haar kindje draagt en wacht op zijn geboorte, droomt ze tegelijkertijd van een beloofde toekomst. Machtigen vallen van hun tronen en arme mensen en verdrukten worden opgericht. Dit is niet alleen de echo van een belofte bij de profeet Jesaja (Jes. 26,1-6), maar het zijn ook de woorden die Maria zelf uitjubelt in haar Magnificat bij de ontmoeting met haar nicht Elisabeth.

De droom van Maria is tegelijkertijd ook de droom van de auteur én ik denk die van ons allemaal. We wachten uiteindelijk allemaal op de vervulling van dit visioen van gerechtigheid.

III.  De Geboorte

In het derde luik zijn er ineens de engelenscharen. Het is een concrete verwijzing naar de geboortenacht van Jezus en naar de herders in het veld die uitzien naar de morgen. Zij werden immers omgeven door een heel leger van engelen (Lc. 2,8-15) en overstraald door hun hemelse licht. Het kind in de kribbe wordt geboren, maar – zo lijkt de auteur van het gedicht ons te willen zeggen – daarmee worden het visioen van Jesaja en de droom van Maria nog geen werkelijkheid.

Hij stelt zichzelf de vraag of daarvoor niet iets anders nodig is: dat ik, dat wij, uit onze droom ontwaken. Dat we wakker worden en zien wat nodig is in deze wereld om de droom van gerechtigheid voor arme en kleine mensen, voor verdrukten en verschoppelingen werkelijkheid te laten worden.

God wacht op ons antwoord en wij hebben zijn hulp nodig én die van de engelen om in onze tijd en wereld een licht te kunnen zijn. Bidden we in deze dagen dan om waakzaamheid en ontvankelijkheid om mét Maria tot echte dienaren en dienaressen van de HEER te worden. Het is immers ook van ons afhankelijk. Ik wens u een heel gezegende tijd!

pastor Andreas Inderwisch.